Luther zag verschil tussen Oude Testament (wet) en
Nieuwe Testament (genade). Calvijn vond het Oude Testament en het Nieuwe aan
elkaar gelijk maar verschillend in bediening. Verder waren ze van mening dat
de gemeente het geestelijk Israël is.
Luther en Calvijn vonden het eigenlijk een verkeerde
keuze dat Openbaring in de canon was opgenomen.
In de stad Gods beschrijft Augustinus uitvoerig hoe de
afgoden aanzetten tot het volgen van de begeerte. Deze afgoden zijn volgens
Augustinus dan ook boze onreine geesten die de mensen beïnvloeden3.
Ook beschrijft Augustinus de oorsprong van de heersers zoals de Romeinen dat
geloven. In een voetnoot geeft hij aan dat volgens de Bijbel de oorsprong
daarvan in Babel lag met Nimrod4.
In het tweede boek beschrijft Augustinus het ontstaan
van de stad Gods (Jeruzalem) en de aardse stad (Babylon). Ook beschrijft hij
hoe satan de figuurlijke prins van Babylon is en uit de lusthof is verbannen5.
Hoewel in de schepping eerst alles goed is geweest en alles met een goede
natuur is geschapen heeft de vrije wil uiteindelijk tot zonde heeft geleid6.
De duivel was oorspronkelijk goed maar door zijn eigen kwade wil is hij
gevallen en in de aller laagste regionen geplaatst7.
Ook beschrijft hij hoe deze steden nu nog met elkaar vermengd zijn. Onder de
goddelozen bevinden zich ook in het geheim mensen die nog zullen gaan
behoren tot het burgerschap van Jezus en in de Kerk bevinden zich ook nog
valse christenen8.
Bij Luther en Calvijn verdwijnen deze geestelijke
betekenissen bijna volledig. Na de verlichting en de ontmythologisering van
Bultmann is hier bijna niets meer van over. Kenmerkend voor deze stroming is
het niet gericht zijn op de eindtijd.
Augustinus beschrijft in De stad Gods hoe de kerk De
stad Gods voorstelt en vermengd is met de aardse stad. Hij beschrijft ook
hoe deze twee steden gescheiden zullen worden9.
De stad Gods is het hemelse Jeruzalem. In zijn dagen werd Nero Redivius
(Nero de herleefde) door velen gezien als de antichrist10.
Over de eerste en de tweede opstanding schrijft
Augustinus in de stad Gods hoofdstuk 2.10.6 dat die eerste opstanding de
opstanding van de ziel is. In hoofdstuk 2.3.x wordt uitgebreid de verhouding
tussen dood en leven beschreven. Door het bad der wedergeboorte, de doop,
wordt men levend11.
Men wordt een geestelijk mens en een burger van de stad Gods, het Koninkrijk
der hemelen. Zo begint het duizend jarig rijk op de eerste pinksterdag en
eindigt het duizend jarig rijk bij de wederkomst. De tweede opstanding is
dan een opstanding van het lichaam. Dit gebeurd aan het einde van de wereld.
Dan vindt het oordeel plaats12.
Hermeneutisch zien we hier duidelijk de invloed van de allegorische uitleg.
Luther en Calvijn hebben niet veel aandacht besteed aan
het boek Openbaring. Calvijn richt zich vooral op het huidige leven en de
beproevingen die we door moeten maken omdat we geneigd zijn om ons steeds te
richten op het aardse13.
Ook spreekt hij over de opstanding op de jongste dag14.
Verder verwerpt Calvijn het idee van een rijk van Christus dat maar 1000
jaar duurt. Het Koninkrijk van Christus is al begonnen in de hemel15.
Hermeneutisch wordt er dus geen letterlijke maar symbolische uitleg gevolgd.
De binding van satan wordt allegorisch uitgelegd en
houdt in dat zijn invloed beperkt wordt. Augustinus schrijft hierover dat
satan in de afgrond geworpen wordt, dit zijn de harten die zich “afgrondig”
afkeren van God. Het verbod om anderen, die voorbestemd zijn voor de stad
Gods, te verleiden is verzegeld16.
Hij mag dus diegenen die voorbestemd zijn om verlost te worden niet
verleiden. Daardoor kan het evangelie hen bereiken.
Boersma komt met een heel schema in het verlengde van
deze visie. In zijn boek “De Bijbel is geen puzzelboek” neemt hij stelling
tegen Hall Lindsey en geeft een verklaring van het boek Openbaring vanuit
het A-millennialisme. Ook hij plaatst het boek Openbaring in de geschiedenis
van de kerk. Alle periodes zijn telkens weer een herhaling van de hele
kerkgeschiedenis. De hele periode van Pinksteren tot de wederkomst is een
komen van de Heer. Dit wordt telkens weer op een andere manier herhaald.
Eerst de brieven aan de gemeentes. Dan de zeven zegels, bij het zevende
zegel ontvouwen zich als het ware de zeven bazuinen. Hierin wordt bewijs
gezien dat het gaat om een herhaling van wat daarvoor al getoond was. Dan
komen de 2 getuigen, de vrouw en de draak, zeven schalen, het duizendjarig
rijk. Zeven keer wordt dus ook de hele geschiedenis doorlopen. Een van de
schrijvers legde het uit als concentrische cirkels waarbij de geschiedenis
telkens opnieuw doorlopen wordt. Het zesde zegel is dan het eindgericht17.
De 144.000 zijn de 12 stammen van Israël x de 12 stammen van de gemeente x
1000 = een onafzienbare menigte. Deze uitleg is een soort Gematria, waarbij
een diepere (mystieke) betekenis van getallen gezocht wordt. De 2 getuigen
zijn volgens Zacharia 4:11-14 de 2 gezalfden en dus de ambtsdragers in de
kerk18.
Hermeneutisch wordt het woord gezalfden vertaald met ambtsdragers
(gezalfden) zonder te kijken of
de context in beide gevallen wel de zelfde is. Het beest uit de zee is
vervolgens de antichristelijke staatsmacht en het beest uit de aarde is de
valse profetie die iedereen probeert te laten knielen voor de
antichristelijke staatsmacht. Openbaring 15:14-20 is vervolgens een dubbele
oogst, de ene voor de hemel en de andere voor de toorn. Het oordeel over
Babylon is het oordeel over de afvallige kerk. De bekering van Israël wordt
in de tijd van Paulus geplaatst. De uitleg is hierbij dat Israël niet gans
verstoten is. Dat gans Israël alsnog zal binnengaan wordt uitgelegd als de
ganse gelovige rest uit die tijd. Deze profetie is dus volgens Boersma niet
voor de eindtijd bedoeld. Hermeneutisch worden zo niet de individuele
woorden symbolisch gezien maar de hele tekst. De uitleg is dan vaak
allegorisch.
Hermeneutisch is de hele uitleg van Openbaring alleen
zo te verklaren als men de letterlijke betekenis van de tekst helemaal
loslaat en over gaat op de allegorische uitleg. Probleem hierbij is
dat dan de interpretatie van de uitlegger sterk mee gaat spelen bij de
uitleg. Hermeneutisch is het dus niet controleerbaar. Dit wijkt ver af van
wat Openbaring 22:18-19 ons zegt.
De uitleg over de eerste opstanding doet hermeneutisch
vreemd aan. Er worden twee verschillende begrippen onder dezelfde noemer
geplaatst. Daarmee wordt er een eigen gedachte toegevoegd aan de tekst wat
typisch is voor de allegorese.
Ook de binding van satan wordt geduid op een manier dat
het effect ervan totaal niet controleerbaar is. Hermeneutisch wordt er de
allegorese gebruikt om de problemen op te lossen dat de werken van satan nog
steeds zichtbaar zijn zowel in de kerk als daarbuiten. Er is aan de
buitenkant geen verschil merkbaar.
Deze uitleg van Openbaring dient dan ook in zijn geheel
verworpen te worden omdat Openbaring 22:18-19 hier in alle opzichten
overtreden wordt. Er wordt veel van de betekenis weggenomen en via de
allegorese wordt er betekenis toegevoegd.
[1] Spijker,
Eschatologie, bladzijde
167 en Augustinus, A. De stad Gods, Online Bible, Studie editie 2005
(Vertaling: Noordzij, Online Bible, Importantia Dordrecht) hoofdstuk
2.10.7
[2] Post-millennialisme. Dit ligt
dicht tegen het A-millennialisme aan omdat daarbij het millennium
als tijdperk ontkent wordt. In beide gevallen is de wederkomst van
Jezus ook de jongste dag waarop het laatste oordeel plaatsvindt.
[3] Augustinus,
De stad Gods, hoofdstuk
1.1.3 “Maar ik zeg hiertegen, indien men
de overwonnen goden als voorstanders en beschermers wil eren, wat is
zulks anders dan dat men gaat vertrouwen, niet op goede goden, maar
op kwade en boze geesten.”
[4] Augustinus,
De stad Gods, hoofdstuk
1.3.10 voetnoot 1: “De koninklijke
regering is in Egypte gevonden; men zegt, dat Menes daar de eerste
koning is geweest. Diodorus evenwel verhaalt, dat Osiris, Horus en
enige andere Goden voorheen daar koningen geweest zijn. Doch onze
Heilige Schrift zegt, dat Nimrod de eerste koning geweest is en zijn
heerschappij binnen Babylon gehad heeft”
[5] Augustinus,
De stad Gods, hoofdstuk
2.1.15 “Jesaja zegt (betekenende de duivel onder de figuurlijken
persoon van Prins van Babylonië) ‘hoe bent gij van de Hemel
gevallen, gij schone morgenster. Of hetgeen Ezechiël zegt ‘gij bent
geweest in de lusthof Gods, en met allerlei edelgesteenten
versierd’”.
[6] Augustinus,
De stad Gods, hoofdstuk
2.1.17 “Hoe het gebrek van de boosheid niet is een geschapene
natuur, maar dat de boosheid tegen de natuur is, en dat de oorzaak
van de zonde niet de schepper is, maar de wil”
[7] Augustinus,
De stad Gods, hoofdstuk
2.1.17 “Alzo heeft Hij
teweeg gebracht, dat de duivel door Zijn instelling goed zijnde, en
door zijn eigen wil kwaad, in het allerlaagste geordineerd is”
[8] Augustinus,
De stad Gods, hoofdstuk
1.1.35
[9] Augustinus,
De stad Gods, hoofdstuk
1.1.35
[10] Hoekstra, E.G., Het einde
der tijden (Kampen: Kok, 1997) bladzijde 75, Augustinus,
De stad Gods, Hoofdstuk
2.10.19
[11] Augustinus,
De stad Gods, hoofdstuk
2.3.23 “Dit heeft de
apostel alzo gesteld even als zulks in ons volgens het Sacrament van
de wedergeboorte geschiedt, gelijk hij elders zegt: zoveel van u in
Christus gedoopt zijn, die hebben Christus aangedaan; {#Ga 3:27}
doch metterdaad zal zulks dan volbracht worden, wanneer in ons,
hetgeen ziellijk is door de geboorte, geestelijk geworden zal zijn
door de opstanding;”
[12] Augustinus,
De stad Gods, hoofdstuk
2.3.23 Alzo zijn er
ook twee opstandingen, van welke de een is de eerste, nl. die van de
zielen, welke nu is, en die zodanig is, dat zij niet toelaat te
komen in de tweede dood, en de andere is de tweede, welke nu niet
is, maar die in het einde van de wereld zijn zal, en deze is niet
die van de zielen, maar die van de lichamen, en zal door het laatste
Oordeel sommigen zenden tot de tweede dood; En anderen tot dat
leeft, hetwelk geen dood heeft.”
[13] Calvijn, Institutie, Online
Bible, Studie editie 2005 (Online Bible, Importantia Dordrecht) Boek
3 Hoofdstuk 9 Sectie 1: “Want wij hebben dit vast te stellen, dat
het gemoed nimmer met ernst tot de begeerte en de overdenking van
het toekomstige leven gericht wordt, tenzij het vooraf door de
geringschatting van het tegenwoordige doordrongen zij geworden.”
[14] Calvijn, Institutie, Boek 3
Hoofdstuk 25 Sectie 1
[15] Spijker,
Eschatologie, bladzijde
542
[16] Augustines,
De stad Gods, hoofdstuk
2.10.7
[17] Boersma,
Puzzelboek, bladzijde
45..46
[18] Boersma,
Puzzelboek, bladzijde 48
De tekst op deze website is ontleend aan de
NBG-vertaling 1951 © Nederlands Bijbelgenootschap 1951.
Copyright 2011 Henk Haveman, Eemnes.